Verbond van Verzekeraars blijft aandringen op wettelijke eisen voor letselschadebelangenbehartigers. Maar wat zegt het onderzoek eigenlijk?

12 October 2026
Verbond van Verzekeraars blijft aandringen op wettelijke eisen voor letselschadebelangenbehartigers. Maar wat zegt het onderzoek eigenlijk?

Het Verbond van Verzekeraars blijft pleiten voor strengere wettelijke kwaliteitseisen voor belangenbehartigers van letselschadeslachtoffers. Daarbij wordt gewezen op misstanden binnen de letselschadebranche en op een onderzoek dat in opdracht van het WODC is uitgevoerd. Maar wie dat onderzoek goed leest, ziet dat de conclusies van de onderzoekers aanzienlijk genuanceerder zijn. Van structurele misstanden is geen bewijs geleverd en de noodzaak van algemene wettelijke beroepsregulering is niet aangetoond. Ook de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ziet daarom vooralsnog geen aanleiding om dergelijke beroepseisen in te voeren.

Kwaliteit van belangenbehartiging bij letselschade

Wanneer iemand door een verkeersongeval, arbeidsongeval of een andere gebeurtenis letselschade oploopt, kan een belangenbehartiger helpen bij het verhalen van de schade. Dat vraagt om deskundigheid. De gevolgen van letsel kunnen immers ingrijpend zijn en jarenlang doorwerken in het inkomen, de gezondheid en het dagelijks leven van het slachtoffer.

Maar hoe weet een slachtoffer of een belangenbehartiger over voldoende kennis en ervaring beschikt? Over die vraag bestaat al geruime tijd discussie binnen de letselschadebranche.

Advocaten zijn gebonden aan wettelijke beroepsregels, toezicht en tuchtrecht. Voor letselschadeadvocaten die zijn aangesloten bij een specialisatievereniging, zoals de LSA, gelden bovendien aanvullende eisen aan opleiding, ervaring en deskundigheid. Ook voor andere belangenbehartigers bestaan keurmerken en beroepsorganisaties die kwaliteitseisen stellen.

Niet iedere belangenbehartiger is echter bij een dergelijke organisatie aangesloten. Het Verbond van Verzekeraars ziet daarin een risico voor slachtoffers en pleit al langer voor wettelijke kwaliteitseisen die voor alle belangenbehartigers gelden.

Wat blijkt uit het WODC-onderzoek?

In juni 2024 verscheen het rapport De belangenbehartiger bij letselschade, dat in september 2024 aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Het onderzoek werd uitgevoerd door wetenschappers van vier Nederlandse universiteiten, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).

Lees het WODC-rapport

De onderzoekers brachten de markt voor letselschadebelangenbehartiging in kaart en onderzochten welke factoren de kwaliteit van dienstverlening bevorderen of belemmeren. Ook werd gekeken naar vermeende misstanden, zoals misleidende reclame, onvoldoende deskundigheid, ondoorzichtige beloningsafspraken en het tegen betaling overdragen van letselschadedossiers.

Het rapport bevat belangrijke conclusies die in de discussie over wettelijke beroepsregulering niet uit het oog mogen worden verloren.

Geen bewijs voor structurele misstanden

De onderzoekers constateren dat er zorgen bestaan over bepaalde praktijken binnen de letselschadebranche. Maar zij hebben niet kunnen vaststellen hoe vaak die praktijken daadwerkelijk voorkomen.

Op pagina 12 van het rapport schrijven zij dat weinig bekend is over de omvang van de gesignaleerde problemen. Ook hebben zij geen hard bewijs gevonden dat deze praktijken vaker voorkomen bij belangenbehartigers die niet zijn aangesloten bij een keurmerk of beroepsorganisatie.

Het onderzoek heeft dus geen bewijs opgeleverd dat sprake is van grootschalige of structurele misstanden onder niet-aangesloten belangenbehartigers.

Dat betekent niet dat dergelijke misstanden niet bestaan. Wel betekent het dat de omvang ervan onbekend is en dat voorzichtigheid geboden is wanneer incidenten worden gebruikt als argument voor algemene wettelijke maatregelen.

Onderzoekers plaatsen kanttekeningen bij een vergunningstelsel

De onderzoekers hebben ook gekeken naar de mogelijkheid om van letselschadebelangenbehartiging een beschermd beroep te maken, waarvoor wettelijke toelatingseisen zouden gelden.

Op pagina 13 van het rapport wijzen zij erop dat een vergunningstelsel maatschappelijke kosten met zich brengt, innovatie kan belemmeren en niet vanzelf leidt tot betere dienstverlening.

De onderzoekers vinden dat de omvang van de misstanden aanzienlijk moet zijn voordat de verwachte voordelen van een vergunningstelsel tegen de nadelen kunnen opwegen. Juist over die omvang heeft het onderzoek geen duidelijkheid kunnen verschaffen.

Bovendien benadrukken de onderzoekers dat ook belangenbehartigers die niet bij een keurmerk of beroepsorganisatie zijn aangesloten, al aan wettelijke regels zijn gebonden. Zij moeten ook nu al volgens de wet voldoen aan de eisen die aan een redelijk bekwaam en zorgvuldig dienstverlener mogen worden gesteld.

Het rapport stelt uitdrukkelijk vast dat belangenbehartiging zonder aansluiting bij een beroepsorganisatie op zichzelf een legitieme beroepsuitoefening is.

Wel aanbevelingen voor gerichte verbeteringen

De onderzoekers pleiten overigens niet voor stilzitten. Zij doen verschillende aanbevelingen om de kwaliteit van belangenbehartiging verder te verbeteren.

Zo adviseren zij onder meer betere informatievoorziening aan slachtoffers, meer transparantie over beloningsafspraken, gerichte handhaving van bestaande consumentenbeschermende regels en maatregelen tegen misleidende praktijken.

Ook doen zij voorstellen rond de vergoeding van buitengerechtelijke kosten, waarvoor mogelijk een beperkte wetswijziging nodig is.

Dat zijn echter andere maatregelen dan het invoeren van algemene wettelijke beroeps- of toelatingseisen voor alle belangenbehartigers.

Het WODC-rapport kan daarom niet zonder meer worden aangehaald als wetenschappelijke onderbouwing voor de noodzaak van een wettelijk vergunningstelsel.

Staatssecretaris kiest niet voor wettelijke beroepseisen

Op 3 juli 2026 stuurde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een beleidsreactie naar de Tweede Kamer.

Lees de Kamerbrief van 3 juli 2026

Daarin maakt de staatssecretaris duidelijk dat het kabinet niet kiest voor wettelijke beroepseisen voor letselschadebelangenbehartigers. Ook wordt geen verplicht keurmerk ingevoerd.

Een belangrijke reden daarvoor is dat onvoldoende duidelijk is in welke mate de gesignaleerde problemen daadwerkelijk voorkomen en of wettelijke beroepsregulering tot betere dienstverlening zou leiden.

De staatssecretaris wijst bovendien op mogelijke nadelen van wettelijke regulering, zoals beperking van de keuzevrijheid van slachtoffers, hogere kosten van rechtsbijstand en extra regeldruk.

Het kabinet kiest daarom voor een andere aanpak. Daarbij ligt de nadruk op betere informatievoorziening voor slachtoffers, versterking van bestaande vormen van zelfregulering en het toegankelijker maken van mogelijkheden om op te treden wanneer een belangenbehartiger tekortschiet.

De staatssecretaris volgt daarmee op belangrijke punten de terughoudendheid die ook uit het WODC-onderzoek spreekt: eerst moet duidelijk zijn welk probleem met nieuwe wettelijke regels wordt opgelost en of die regels daadwerkelijk een verbetering opleveren.

Verbond van Verzekeraars blijft aandringen op wetgeving

De beleidsreactie heeft het Verbond van Verzekeraars niet overtuigd.

In een publicatie van 1 oktober 2026, met de titel Slachtoffers verdienen betere bescherming tegen tekortschietende belangenbehartiging, stelt het Verbond dat de maatregelen van het kabinet onvoldoende concreet zijn om de kwaliteit van belangenbehartiging te waarborgen.

Lees de publicatie van het Verbond van Verzekeraars

Volgens het Verbond biedt zelfregulering onvoldoende bescherming, omdat niet alle belangenbehartigers zich daarbij aansluiten. Het Verbond wil daarom dat de overheid verder onderzoekt hoe wettelijke kwaliteitseisen kunnen worden ingevoerd.

Daarbij verwijst het Verbond onder meer naar een voorstel van De Letselschade Raad.

Lees het voorstel van De Letselschade Raad

Dat voorstel richt zich onder meer op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit zijn de redelijke kosten die een slachtoffer maakt om buiten een gerechtelijke procedure schadevergoeding te verkrijgen, waaronder de kosten van juridische bijstand. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW komen deze kosten, voor zover aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, voor vergoeding door de aansprakelijke partij in aanmerking.

Volgens het voorstel zou bij de vergoeding van deze kosten nadrukkelijker rekening moeten worden gehouden met de kwaliteit en deskundigheid van de belangenbehartiger. Het Verbond vraagt de regering om te onderzoeken hoe dergelijke kwaliteitseisen wettelijk kunnen worden vastgelegd.

Wordt het WODC-onderzoek niet te eenzijdig uitgelegd?

De voortdurende oproep van het Verbond van Verzekeraars roept de vraag op of voldoende recht wordt gedaan aan de daadwerkelijke conclusies van het WODC-onderzoek.

Natuurlijk moet worden opgetreden tegen belangenbehartigers die slachtoffers misleiden, onvoldoende deskundig zijn of op andere wijze tekortschieten. Daarover hoeft geen discussie te bestaan.

Maar het is iets anders om op basis van dergelijke praktijken te concluderen dat voor een gehele beroepsgroep nieuwe wettelijke kwaliteitseisen noodzakelijk zijn.

Juist het WODC-onderzoek, dat mede naar aanleiding van zorgen over misstanden werd uitgevoerd, heeft geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de omvang van die problemen. Evenmin is aangetoond dat algemene wettelijke beroepsregulering de aangewezen oplossing is.

Wanneer het rapport wordt aangehaald ter ondersteuning van strengere wettelijke beroepseisen, mogen deze belangrijke kanttekeningen niet onvermeld blijven.

Daar komt bij dat ook verzekeraars zelf belangen hebben bij de wijze waarop de letselschadebranche wordt gereguleerd. Zij zijn immers doorgaans degenen die namens de aansprakelijke partij de buitengerechtelijke kosten van belangenbehartiging moeten vergoeden.

Wettelijke regels die de vergoeding van deze kosten afhankelijk maken van bepaalde kwaliteitseisen, kunnen daarmee ook gevolgen hebben voor de positie van belangenbehartigers tegenover verzekeraars.

Dat betekent niet dat de voorstellen van het Verbond uitsluitend door financiële motieven zijn ingegeven. Wel is het belangrijk dat in deze discussie onderscheid wordt gemaakt tussen het belang van het slachtoffer, de kwaliteit van de dienstverlening en de financiële belangen van de betrokken partijen.

De bescherming van slachtoffers mag niet uitmonden in een situatie waarin aansprakelijkheidsverzekeraars een te bepalende invloed krijgen op de vraag welke belangenbehartigers voor vergoeding van hun werkzaamheden in aanmerking komen.

De belangen van het slachtoffer moeten vooropstaan

Goede belangenbehartiging is van groot belang voor letselschadeslachtoffers. Een slachtoffer moet kunnen vertrouwen op deskundige en onafhankelijke juridische bijstand, zeker wanneer de gevolgen van het letsel ernstig of langdurig zijn.

Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat nieuwe wettelijke regels de keuzevrijheid van slachtoffers beperken of de toegang tot rechtsbijstand bemoeilijken.

Het is daarom terecht dat bij voorstellen voor wettelijke beroepsregulering kritisch wordt gekeken naar de noodzaak, proportionaliteit en mogelijke gevolgen daarvan.

Het WODC-onderzoek biedt voldoende aanknopingspunten om bepaalde praktijken gerichter aan te pakken en de kwaliteit van belangenbehartiging verder te verbeteren. Maar het onderzoek levert geen bewijs dat de gehele beroepsgroep met algemene wettelijke toelatingseisen moet worden gereguleerd.

Wie het WODC-rapport gebruikt om strengere wettelijke kwaliteitseisen te bepleiten, zou ook moeten vermelden dat de onderzoekers geen hard bewijs hebben gevonden voor grootschalige misstanden en dat zij de noodzaak van algemene beroepsregulering niet hebben vastgesteld.

Het is goed dat de kwaliteit van belangenbehartiging ter discussie staat. Maar wetgeving behoort te worden gebaseerd op aantoonbare problemen en zorgvuldig onderzochte oplossingen, niet uitsluitend op incidenten en vermoedens.

Uiteindelijk moet niet het belang van verzekeraars of belangenbehartigers doorslaggevend zijn, maar dat van het letselschadeslachtoffer.

Bescherming van slachtoffers mag niet ten koste gaan van hun rechten

Bij de discussie over wettelijke kwaliteitseisen mag één belangrijk uitgangspunt niet uit het oog worden verloren: het letselschadeslachtoffer moet zelf kunnen blijven bepalen door wie hij of zij wordt bijgestaan.

Die keuzevrijheid is van wezenlijk belang. Een slachtoffer staat bij de afwikkeling van letselschade doorgaans tegenover een professionele aansprakelijkheidsverzekeraar, die beschikt over gespecialiseerde schadebehandelaars, juristen, medisch adviseurs en andere deskundigen. Juist in die situatie moet het slachtoffer kunnen rekenen op een eigen, onafhankelijke belangenbehartiger.

Natuurlijk is het belangrijk dat die belangenbehartiger deskundig en betrouwbaar is. Maar bescherming van slachtoffers mag geen argument worden om hun rechten onnodig te beperken. Het zou een merkwaardige uitkomst zijn wanneer maatregelen die bedoeld zijn om slachtoffers te beschermen, er uiteindelijk toe leiden dat zij minder vrijheid hebben om hun eigen belangenbehartiger te kiezen.

Daarbij is het belangrijk te beseffen dat tekortkomingen in de letselschadebehandeling zich niet uitsluitend aan de zijde van belangenbehartigers voordoen. Ook het handelen van verzekeraars en de door hen ingeschakelde deskundigen kan aanleiding geven tot klachten en juridische procedures.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de omgang met medische gegevens van slachtoffers. Medisch adviseurs die voor verzekeraars werken, hebben toegang tot zeer gevoelige informatie. Voor het verzamelen, verwerken en delen van die gegevens gelden strenge wettelijke en professionele regels. In de praktijk ontstaan ook aan de zijde van verzekeraars geschillen over de vraag of medische informatie terecht wordt opgevraagd, of de privacy van slachtoffers voldoende wordt gerespecteerd en of medische beoordelingen zorgvuldig plaatsvinden. Dat zijn echter partijen die het letselschadeslachtoffer niet zelf te kiezen heeft. Ook aan de zijde van verzekeraars en hun vertegenwoordigers worden dus, ondanks allerlei wet- en regelgeving, fouten gemaakt en daar vinden soms ook ernstige misstanden plaats ten koste van letselschadeslachtoffers.

Voorkom dat verzekeraars bepalen wie slachtoffers mag bijstaan

Er bestaat bovendien een principieel bezwaar tegen een stelsel waarin verzekeraars te veel invloed krijgen op de kwaliteitseisen waaraan belangenbehartigers moeten voldoen.

Een belangenbehartiger treedt immers op tégen de aansprakelijke partij en doorgaans diens verzekeraar. Het is daarom van groot belang dat de verzekeraar niet indirect kan bepalen welke belangenbehartigers voor vergoeding van hun werkzaamheden in aanmerking komen.

Een vergelijkbare discussie heeft zich eerder voorgedaan bij de contra-expertise onder schadeverzekeringen, bijvoorbeeld bij brand- en waterschade.

Ook daar probeerden verzekeraars in algemene voorwaarden eisen te stellen aan de deskundigen die verzekerden zelf mochten inschakelen om hun schade te laten vaststellen. Daarbij werd eveneens aangevoerd dat kwaliteitseisen nodig waren om verzekerden te beschermen.

De Hoge Raad heeft daarover op 28 januari 2022 een belangrijk arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2022:81).

In die zaak had Achmea in haar polisvoorwaarden kwaliteitseisen opgenomen voor contra-experts. De verzekeraar wilde de vergoeding van de kosten van contra-expertise afhankelijk maken van de vraag of de door de verzekerde gekozen deskundige aan die eisen voldeed.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 7:959 lid 1 BW zich verzet tegen beperkingen die verder gaan dan de wettelijke dubbele redelijkheidstoets. Dat geldt ook wanneer een verzekeraar dergelijke beperkingen rechtvaardigt met het argument dat zij de kwaliteit van deskundigen en daarmee de belangen van verzekerden zouden beschermen.

Een verzekerde moet dus in beginsel zelf zijn deskundige kunnen kiezen. De redelijke kosten van die deskundige komen voor vergoeding in aanmerking, ook wanneer de deskundige niet voldoet aan de aanvullende kwaliteitseisen die de verzekeraar zelf heeft geformuleerd.

Hoewel dit arrest betrekking heeft op contra-expertise bij schadeverzekeringen en niet rechtstreeks op de belangenbehartiging bij letselschade, is de achterliggende gedachte ook voor de huidige discussie van belang.

Degene tegenover wie een slachtoffer zijn aanspraak geldend maakt, behoort niet een doorslaggevende stem te krijgen in de vraag wie dat slachtoffer daarbij mag bijstaan.

Dat risico verdient bijzondere aandacht wanneer wordt voorgesteld om de vergoeding van buitengerechtelijke kosten afhankelijk te maken van kwaliteitseisen waaraan verzekeraars zelf mede invulling geven.

Het gaat dan immers niet alleen om kwaliteitsbewaking, maar ook om de toegang van slachtoffers tot onafhankelijke rechtsbijstand.

De bescherming van letselschadeslachtoffers is een belangrijk doel. Maar daarbij hoort ook bescherming tégen een te grote invloed van verzekeraars op de schaderegeling.

Slachtoffers moeten niet onder het mom van bescherming rechten verliezen die juist bedoeld zijn om hun positie tegenover verzekeraars te versterken.

Vragen?

Peter van Huizen is lid van de Vereniging van Letselschade Advocaten (LSA), een specialisatievereniging voor advocaten die zich bezighouden met de behandeling van letselschadezaken. De LSA stelt eisen aan de deskundigheid en ervaring van haar leden en aan hun vakinhoudelijke ontwikkeling.

Heeft u vragen of zoekt u een advocaat die is gespecialiseerd in  aansprakelijkheidsrecht, letselschade en verzekeringsrecht? Neem vrijblijvend contact op. Schaderecht Advocatuur is een advocatenkantoor gespecialiseerd in aansprakelijkheid, letselschade en verzekeringsrecht.

Schaderecht Advocatuur | info@schaderecht.nl | 085 800 8080 |  Jansbuitensingel 7, 6811 AA Arnhem

Gerelateerde blogs

03 September 2026
Subsidie verhoogd voor medisch haalbaarheidsonderzoek
Afbeelding van operatietafel bij nieuwsbericht over subsidie medisch haalbaarheidsonderzoek letselschade
Lees deze blog
16 March 2020
Beroofd tijdens drugsdeal. Inboedelverzekering moet schade vergoeden
Afbeelding van politieman bij blog over slachtoffer misdrijf letselschade
Lees deze blog
28 June 2024
Publicatie jaarverslag 2023 Waarborgfonds Motorverkeer
Afbeelding van een fatbike bij blog over alarm letselschade door fatbikes
Lees deze blog